(kilo)metervreters

Als je dan in de Vogezen bent en je hebt – héél toevallig – je fiets mee, dan is het natuurlijk leuk om die ook nog eens te proberen. En dat kan prima rond Guebwiller. Het voordeel van deze verblijfplaats is namelijk dat het ongeveer in het Rijndal ligt. En een dal dat is laag. Het Rijndal, heel specifiek, is ook nog eens relatief breed en plat. En plat, daar weten wij wielrenners uit het noorden van Nederland wel erg goed mee om te gaan.

Dat bleek maar weer tijdens de eerste tocht die we maakten. Infietsen door het Rijndal. Kilometers weg vlogen onder onze wielen door. Weinig moeite, ondanks de brandende koperen ploert. Want branden, dat deed ie. De pieken in de temperatuur tot rond de 30 graden Celsius. Maar wij lieten ons niet kennen en vraten het asfalt op. Wat, dankzij de warmte gemakkelijker was geworden, omdat ook het asfalt zachter werd en dus gemakkelijk te ‘vreten’.

De eerste klimmetjes doemden op. Een kilometer of wat. Dat ‘wat’ was niet helemaal helder. Hoewel de gids 10 km had beloofd, bleek de exacte hoeveelheid uiteindelijk mee te vallen; het eindstation van de klim bleek te zitten na enkele kilometers afdaling nà de top. Wat wel raar is, want het eind van een klim IS meestal de top. De gids van de dag had zich enigszins vergist (gebeurt de besten), moeten al die plaatsnamen maar niet met Osen beginnen!

Even vlak terrein, even afdalen en weer klimmen naar de Col de Bannstein. Een colletje van niks, als je eenmaal door het eerste stuk klim heen was. Gejuich ging op, nu was het alleen nog maar afdalen volgens de gids. Of toch niet, want met deze gids wist je het niet zeker… Dit keer had ze wel gelijk, al werd nog een ereronde gemaakt door Buhl, omdat twee renners de goede afslag voorbij vlogen in hun daalenthousiasme.

En na al die lengte-, hoogte- en warmtemeters wachtte in het hotel de beloning; een koel alcoholisch/niet-alcoholisch(*) drankje. Oh en een verfrissende douche natuurlijk…

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Door het Rijndal